fbpx

Mythes over duurzaamheid: deel I

Duurzaamheid is hot. Ik ben zelf ook helemaal van de duurzaamheid. Dat komt door mijn studie Milieurecht. Daar maakte ik kennis met de definitie van duurzame ontwikkeling van de VN-commissie Brundtland uit 1968:

 

“Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.”

 

Duurzaamheid is dus niet zomaar een geinige gadget, maar een mechanisme om de toekomst van de mensheid veilig te stellen.

 

Wat ik helaas zie gebeuren is dat mensen duurzaamheid verwarren met allerlei geromantiseerde visies of irrationele angsten. Hiervan zet ik er een paar op een rijtje – voor wie echt duurzame keuzes wil maken.

 

 

Mythe 1: biologisch en lokaal vlees is beter

Vaak hoor ik mensen zeggen “Vlees is op zich niet erg, het is meer de wijze waarop”. Dit is echter een onjuiste uitspraak. Op wat voor wijze je een dier ook grootbrengt: een dier moet altijd eten. Zo eet een koe maar liefst zestig kilo gras per dag. Dit eten wordt deels omgezet in vlees, maar ook in warmte, energie en poep. Hoe langer een dier leeft en hoe meer ruimte het dier heeft, hoe groter de druk op het milieu. Er is namelijk meer voedsel nodig voor het dier en het dier stoot meer mest en broeikasgassen uit. Je kan dus veilig stellen dat een dier per definitie geen efficiënte voedselbron is, of het nou op biologische of reguliere wijze wordt grootgebracht.

 

Ook blijkt uit recent onderzoek van de Universiteit van Helsinki dat geïmporteerd plantaardig voedsel veel minder broeikasgasuitstoot veroorzaakt dan lokaal vlees, zuivel en eieren (zie onderstaande figuur). Je kan dus beter een avocado eten uit Chili dan een ei van de (al dan niet biodynamische) boer bij jou in de buurt.

 

 

De duurzaamste keuze: het beste is gewoon om zo weinig mogelijk vlees en dierlijke producten te eten. Deze kan je vervangen door vleesvervangers (tegenwoordig ook wel ‘vleesopvolgers’ genoemd) of ander plantaardig voedsel zoals peulvruchten en noten.

 

Mythe 2: GMO is de duivel

Ik was vrijwilliger voor Greenpeace en heb daarmee ook actie gevoerd tegen GMO (genetic modified organisms). Het belangrijkste argument tegen GMO is het voorzorgsbeginsel: we weten niet zeker wat een GMO-gewas zal doen in de natuur en we kunnen verspreiding ervan niet voorkomen.

 

De argumenten vóór GMO vind ik inmiddels echter overtuigender. Zo zou GMO zo ingezet kunnen worden dat er minder pesticiden en kunstmest nodig zijn om voedselgewassen goed te laten groeien. Hierdoor kan de druk op het milieu afnemen. Ook kan plantaardig voedsel middels GMO worden verrijkt met voedingsstoffen. Zo is er een rijst (‘gouden rijst’) ontwikkeld met vitamine A waardoor blindheid en sterfte bij ondervoede kinderen voorkomen kan worden. Volgens de WHO (World Health Organization van de VN) hebben zo’n 250 miljoen kinderen een vitamine A-tekort. Als je dit bedenkt is het eigenlijk onethisch om GMO-oplossingen zoals rijst met vitamine A tegen te werken.

 

 

Ook met klimaatverandering en de extreme weersomstandigheden die het veroorzaakt is het belangrijk om snel te kunnen schakelen met bepaalde eigenschappen van voedselgewassen: voedsel dat bijvoorbeeld beter bestand is tegen hitte, droogte en extreme regenval.

 

Het is wel zo dat Monsanto een slim verdienmodel heeft bedacht met GMO: ze ontwikkelden soja die bestand is tegen hun eigen pesticide: RoundUp. Als gevolg daarvan wordt er in Zuid-Amerika veel Monsanto-soja verbouwd waarbij veel RoundUp wordt gespoten, waardoor insecten en andere gewassen doodgaan en deze plantages dus een soort levenloze ‘sojawoestijnen’ worden Deze soja is echter voornamelijk bestemd voor veevoer. Als je deze giftige sojavelden wilt tegengaan, kan je dus het beste stoppen met het eten van dierlijke producten.  

 

De duurzaamste keuze: dierlijke producten van je menu schrappen is een effectieve manier om de schadelijke gevolgen van GMO tegen te gaan. Daarnaast is een open houding tegenover GMO aan te raden, omdat dit de voedselproductie potentieel voedzamer en minder milieubelastend kan maken.

 

Mythe 3: palmolie staat gelijk aan ontbossing

Ik geef gelijk toe: ik vermijd palmolie. Maar dat is omdat ik zelf sowieso vrij weinig bewerkte producten eet, uit gezondheidsoverwegingen en gewoonweg omdat plantaardige olie niet nodig is (in tegenstelling tot vet uit noten en zaden).

 

Los daarvan is palmolie efficiënter dan bijvoorbeeld zonnebloem-, olijf,- of koolzaadolie. Voor palmolie is minder landbouwgrond nodig dan voor deze andere oliën. MilieuCentraal zegt hierover: “De olie van de palmvrucht is een belangrijk ingrediënt en brengt per hectare 4 tot 10 keer meer op dan andere plantaardige oliën.” Hier is wel een nuance: in tropische gebieden is er bij ontbossing meer verlies van biodiversiteit dan bijvoorbeeld in Europa. Maar voor alle plantaardige oliën geldt natuurlijk dat het verbouwd kan worden zonder dat er nog meer ontbost wordt. En dan is palmolie een efficiëntere keuze.

 

De duurzaamste keuze: koop zo min mogelijk bewerkte producten waar palmolie of ander soort olie in zit, zoals koekjes en chips. Als je producten koopt waar palmolie in zit (denk aan plantaardige boter), kijk dan of die het RSPO-keurmerk voor duurzamere palmolie heeft. Dit keurmerk gaat ontbossing tegen. Je kan hier opzoeken hoe Nederlandse bedrijven op dit vlak scoren. Bij onduidelijkheid kan je het ook bij de producenten navragen. Het is sowieso altijd goed om aan producenten te laten weten dat jij duurzaamheid belangrijk vindt.

 

Volgende maand meer over duurzaamheidsmythes met aandacht voor E-nummers, voedselverspilling en een grote persoonlijke ergernis van mij: houtkachels.

 

De (on)zin van gratis
Hoe vind ik mijn eigen, duurzame kledingstijl?